De Wereld­tentoonstelling

'Ik wilde doen alsof alles van mij was, de rijke reiziger. Alsof al deze glorie mij toebehoorde.

Althans, dat dacht ik.'

Lida, dag 29

Ik ken inmiddels genoeg van Lida om te weten dat je soms de regels moet breken om ergens te komen.
Nu bijvoorbeeld, sta ik op het verlaten terrein van
De Wereldtentoonstelling, waar ik uitkijk over het water en naar het oude centrum van de stad. Ik heb gewacht tot ik zeker wist dat er niemand in de buurt was en ben over het hek heen geklommen. Ik had natuurlijk ook schriftelijk toestemming kunnen vragen, maar het is veel spannender en indrukwekkender om je alleen te wanen in zo’n decadente omgeving. Ik wilde doen alsof alles van mij was, de rijke reiziger. Alsof al deze glorie mij toebehoorde.

Althans, dat dacht ik.

 

Koning Pins had blijkbaar iets te compenseren: het park is gigantisch in omvang en staat bomvol met de nieuwste gebouwen en technieken. Van veraf gezien zeer imposant, maar zodra je dichterbij komt zie je dat de gebouwen niets meer zijn dan lege hulzen; de machines zijn zonder stroom; de kunstwerken zijn bedekt met witte lakens; de gouden verflaag op gevels door de regen nog nauwelijks zichtbaar.
De buitenkant is indrukwekkend mooi, de binnenkant is extreem vervallen. Ik voel me als een klein mens in een poppenhuis.

Misschien is het geld halverwege opgeraakt? Misschien is het nooit afgemaakt omdat koning Pins zelf vroegtijdig is afgemaakt? ‘Afgehakte hoofden maken geen beslissingen,’ zei mijn oma altijd. Daar kon ik moeilijk iets tegen in brengen.
Wel vraag ik me af wat er nu met dit terrein zal gebeuren. Het kan voltooid worden, afgebroken, of dienst doen als iets anders, huizen voor de armen bijvoorbeeld.
Dat lijkt me mooi. Maar waarschijnlijk gebeurt er niets en zal het steeds verder in verval raken: een mooi symbool voor koning Pins’ regime.

Dus hier zit ik dan, een arme reiziger, te midden van bedrog.